Viertaktmotor
De viertaktmotor (ook wel Otto-motor genoemd, naar de uitvinder) voltooit het proces van inlaat, compressie, verbranding en uitlaat in vier slagen of ‘takten’. Door deze duidelijke scheiding is het mogelijk om een viertaktmotor voor een specifiek doel geschikt te maken. Dat kan dan zijn voor een laag verbruik en schone uitlaatgassen, of juist voor veel vermogen. Daar staat tegenover dat een ingewikkelde en kostbare kleppenbediening toegepast moet worden.  Omdat maar één van de vier slagen een arbeidsslag is, zal een eencilinder viertakt rauw lopen, tenzij een zwaar vliegwiel op de krukas gemonteerd is. De eerste motoren waren zeer soepel en simpel gebouwd, maar ook langzaam.

Inlaat viertaktmotor

Inlaat
De nokkenas draait en opent de inlaatklep. De zuiger gaat naar beneden en via de carburateur en inlaat komt het benzine/luchtmengsel in de verbrandingsruimte.

Brandstofinjectie viertaktmotoren

Brandstofinjedie
Elektronische sensors tasten alle belangrijke gegevens van’ de motor af en de computer doseert aan de hand van die gegevens de vereiste hoeveelheid brandstof (minder dan 11100 cc) voor iedere inlaatslag. Een elektrische pomp injecteert die hoeveelheid in ieder inlaatkanaal. Daardoor is het mogelijk om altijd een maximaal rendement uit de motor en brandstof te halen. Door een verbeterde techniek – die ook dankzij de racerij tot stand kwam – zijn zowel het vermogen als de betrouwbaarheid pijlsnel gestegen, hoewel de motoren daarmee ook ingewikkelder werden. De inlaat- en uitlaatkanalen worden bediend door kleppen, die door veren op hun zitting gedrukt worden. Ze worden open geduwd door nokkenassen, die bij moderne motoren vrijwel altijd in de cilinderkop zijn geplaatst (OHC = overhead camshaft = bovenliggende nokkenas). De verouderde zijklepper was makkelijk om te maken en te onderhouden, maar zorgde voor een ongunstige verbrandingskamerruimte. Door de kleppen via stoterstangen te bedienen kon de nokkenas in het carter geplaatst worden, waardoor ’n compacte verbrandingskamer geconstrueerd kon worden. Een nadeel is echter dat het geheel nogal zwaar wordt, terwijl er niet al te hoge toerentallen mee gedraaid kunnen worden. De oplossing was om de nokkenas gewoon boven de kleppen te plaatsen en die aan te drijven via een ketting vanaf de krukas, uiteraard met een overbrengingsverhouding van 2:1.